Index - Terug naar beginpagina


Stille Zaterdag

Metten

Prokimen in de vierde toon (Ps. 43)

Sta op, o Heer, en verlos ons
omwille van Uw Naam.

- O God, met onze oren hebben wij het gehoord,
onze vaderen hebben het ons reeds verkondigd.

Lezing uit de profetieën van Ezechiël (37:1-14)

Ik werd opnieuw door de hand van de HEER gegrepen. Zijn geest voerde mij mee en hij zette mij neer in een dal vol beenderen. Ik moest er aan alle kanten omheen lopen, en zo zag ik dat er verspreid over het dal heel veel beenderen lagen, die helemaal waren uitgedroogd. De HEER vroeg mij: "Mensenkind, kunnen deze beenderen weer tot leven komen?" Ik antwoordde: "HEER, mijn God, dat weet u alleen." Toen zei hij: "Profeteer, en zeg tegen deze beenderen: 'Dorre beenderen, luister naar de woorden van de HEER! Dit zegt God, de HEER: Beenderen, ik ga jullie adem geven zodat jullie tot leven komen. Ik zal jullie pezen geven, vlees op jullie laten groeien en jullie met huid overtrekken. Ik zal jullie adem geven zodat jullie tot leven komen, en jullie zullen beseffen dat ik de HEER ben.'"

Ik profeteerde zoals mij was opgedragen. Zodra ik dat deed hoorde ik een geluid, er klonk een geruis van botten die naar elkaar toe bewogen en zich aaneen voegden. Ik zag pezen zich aanhechten en vlees groeien, ik zag hoe er huid over de botten heen trok, maar ademen deden ze nog niet. Toen zei hij tegen mij: "Profeteer tegen de wind, profeteer, mensenkind, en zeg tegen de wind: 'Dit zegt God, de HEER: Kom uit de vier windstreken, wind, en blaas in deze doden, zodat ze weer gaan leven.'" Ik profeteerde zoals hij mij gezegd had, en de lichamen werden met adem gevuld. Ze kwamen tot leven en gingen op hun voeten staan: een onafzienbare menigte.

En hij zei tegen mij: "Mensenkind, deze beenderen zijn het volk van Israël. Het zegt: 'Onze botten zijn verdord, onze hoop is vervlogen, onze levensdraad is afgesneden.' Profeteer daarom en zeg tegen hen: 'Dit zegt God, de HEER: Mijn volk, ik zal jullie graven openen, ik laat jullie uit je graven komen en ik zal jullie naar het land van Israël terugbrengen. Jullie zijn mijn volk, en jullie zullen beseffen dat ik de HEER ben als ik je graven open en jullie uit je graven laat komen. Ik zal jullie mijn adem geven zodat jullie weer tot leven komen, ik zal jullie terugbrengen naar je land, en jullie zullen beseffen dat ik de HEER ben. Wat ik gezegd heb, zal ik doen - zo spreekt de HEER.'"

Prokimen in de zevende toon (Ps. 9)

Sta op, o Heer, mijn God, en verhef uw hand,
en vergeet uw nooddruftigen niet.

- Met geheel mijn hart wil ik U danken, o Heer,
en al Uw wonderdaden verkondigen.

Lezing uit de brieven van de heilige Apostel Paulus aan de christenen te Korinthe (5:6-8) en aan de Galaten (3:13-14)

Broeders, u past geen zelfverheffing. Weet ge niet dat slechts een weinig zuurdeeg het gehele deeg verzuurt? Zuiver u van het oude zuurdeeg, opdat ge een vers deeg moogt worden. Ge zijt immers ongedesemd brood; en ons Pascha, Christus, is geslachtofferd.

Laat ons dan feest vieren, niet met het oude zuurdeeg, noch met het zuurdeeg van slechtheid en boosheid, maar met het ongedesemde van reinheid en waarheid.

Christus heeft ons verlost van de vloek der Wet door Zelf voor ons tot vloek te worden; zoals er geschreven staat: Vervloekt is ieder die opgehangen is aan het hout, opdat door Jesus Christus de zegen van Abraham zou komen over de heidenen; en opdat wij door het geloof de belofte van de Geest zouden ontvangen.

Alleluia, alleluia, alleluia.

- Dat God opsta
en Zijn vijanden worden verstrooid.

- Zoals rook verdwijnt,
zo ook mogen zij verdwijnen.

- Zo mogen de zondaars ten verderve gaan voor Gods aangezicht
maar de rechtvaardigen zich verheugen.

- Dit is de dag die de Heer gemaakt heeft,
laat ons juichen en ons daarover verheugen.

- Eer aan de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

- Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen.

Vespers

Er is geen prokimen!

Lezing uit het boek der Schepping (1:1-13)

In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde was nog woest en doods, en duisternis lag over de oervloed, maar Gods geest zweefde over het water. God zei: "Er moet licht komen," en er was licht. God zag dat het licht goed was, en hij scheidde het licht van de duisternis; het licht noemde hij dag, de duisternis noemde hij nacht. Het werd avond en het werd morgen. De eerste dag.

God zei: "Er moet midden in het water een gewelf komen dat de watermassa's van elkaar scheidt." En zo gebeurde het. God maakte het gewelf en scheidde het water onder het gewelf van het water erboven. Hij noemde het gewelf hemel. Het werd avond en het werd morgen. De tweede dag.

God zei: "Het water onder de hemel moet naar één plaats stromen, zodat er droog land verschijnt." En zo gebeurde het. Het droge noemde hij aarde, het samengestroomde water noemde hij zee. En God zag dat het goed was. God zei: "Overal op aarde moet jong groen ontkiemen: zaadvormende planten en allerlei bomen die vruchten dragen met zaad erin." En zo gebeurde het. De aarde bracht jong groen voort: allerlei zaadvormende planten en allerlei bomen die vruchten droegen met zaad erin. En God zag dat het goed was. Het werd avond en het werd morgen. De derde dag.

Lezing uit de profetieën van Jesaja (60:1-16)

Sta op en schitter, je licht is gekomen,
over jou schijnt de luister van de HEER.
Duisternis bedekt de aarde
en donkerte de naties,
maar over jou schijnt de HEER,
zijn luister is boven jou zichtbaar.
Volken laten zich leiden door jouw licht,
koningen door de glans van je schijnsel.

Open je ogen, kijk om je heen:
ze stromen in drommen naar je toe;
je zonen komen van ver,
je dochters worden op de heup gedragen.
Je zult stralen van vreugde als je het ziet,
je hart zal van blijdschap overslaan.
De schatten van de zee zullen je toevallen,
de rijkdom van vreemde volken valt je in de schoot.
Een vloed van kamelen zal je land overspoelen,
jonge kamelen uit Midjan en Efa.
Uit Seba komen ze in groten getale,
beladen met wierook en goud.
Zij verkondigen de roemrijke daden van de HEER.
Alle schapen en geiten van Kedar
worden voor jou bijeengedreven,
Nebajots rammen staan je ter beschikking;
ze zijn weer welkom als offer op mijn altaar.
Mijn tempel zal ik in alle luister herstellen.
Wie zijn het die daar zweven als een wolk,
die komen aanvliegen als duiven naar hun til?
De kustlanden hebben hun hoop op mij gevestigd.
De schepen uit Tarsis gaan voorop
om je kinderen van verre terug te brengen;
ze hebben zilver en goud bij zich
ter ere van de HEER, je God,
de Heilige van Israël,
die jou deze luister heeft verleend.

Vreemdelingen zullen je muren herbouwen,
hun koningen staan je ter beschikking.
Ik heb je geslagen in mijn woede,
in mijn mededogen zal ik me over je ontfermen.
Je poorten zullen nooit gesloten worden,
dag en nacht zullen ze openstaan,
zodat de rijkdom van vreemde volken kan binnenstromen,
met de koningen die worden meegevoerd.
Elk volk of koninkrijk dat weigert
jou te dienen, zal ten onder gaan;
al die volken zullen worden verdelgd en vernietigd.
De luister van de Libanon,
den, kamperfoelie en cipres,
ze zullen bij je komen,
om mijn heiligdom luister bij te zetten;
zo eer ik de plaats waar mijn voeten rusten.
Met gebogen hoofd zullen ze komen, zonen van je onderdrukkers,
en iedereen die jou verachtte
zal zich aan je voeten neerwerpen.
Ze noemen je 'Stad van de HEER',
'Sion van de Heilige van Israël.'

Eens was je verlaten en gehaat
en werd je door niemand bezocht,
maar ik zal je eeuwige roem verlenen,
geslacht op geslacht zul je een bron van vreugde zijn.
Je zult de melk van vreemde volken drinken,
je wordt gezoogd door koninklijke borsten.
Dan zul je beseffen
dat ik, de HEER, je redder ben,
je beschermer, de Machtige van Jakob.

Lezing uit het boek der Uittocht (12:1-11)

De HEER zei tegen Mozes en Aäron, nog in Egypte: "Voortaan moet deze maand bij jullie de eerste maand van het jaar zijn. Zeg tegen de hele gemeenschap van Israël: 'Op de tiende van deze maand moet elke familie een lam of een bokje uitkiezen, elk gezin één. Gezinnen die te klein zijn om een heel dier te eten, nemen er samen met hun naaste buren een, rekening houdend met het aantal personen en met wat ieder nodig heeft. Het mag het jong van een schaap zijn of het jong van een geit, als het maar een mannelijk dier van één jaar oud is zonder enig gebrek. Houd dat apart tot de veertiende van deze maand; die dag moet de voltallige gemeenschap van Israël de dieren in de avondschemer slachten. Het bloed moeten jullie bij elk huis waarin een dier gegeten wordt, aan de beide deurposten en aan de bovendorpel strijken. Rooster het vlees en eet het nog diezelfde nacht, met ongedesemd brood en bittere kruiden. Het dier mag niet halfgaar of gekookt worden gegeten, maar uitsluitend geroosterd, en in zijn geheel: met kop, poten en ingewanden. Zorg dat er de volgende morgen niets meer van over is. Mocht er toch iets overblijven, dan moet je dat verbranden. Zo moeten jullie het eten: met je gordel om, je sandalen aan en je staf in de hand, in grote haast. Dit is een maaltijd ter ere van de HEER, het pesachmaal.'"

Lezing van het boek Jona

Eens richtte de HEER zich tot Jona, de zoon van Amittai: "Maak je gereed en ga naar Nineve, die grote stad, om haar aan te klagen, want het kwaad dat ze daar doen is ten hemel schreiend." En Jona maakte zich gereed, maar vluchtte naar Tarsis, weg van de HEER. Hij ging naar Jafo en vond er een schip met bestemming Tarsis. Hij betaalde de overtocht en ging aan boord om mee te varen naar Tarsis, weg van de HEER.

Maar de HEER wierp een hevige storm op de zee, en de zee werd zo wild dat het schip dreigde te breken. De zeelieden werden bang, en ieder riep tot zijn eigen god om hulp. Ook gooiden ze, om het gevaar af te wenden, de lading in zee. Maar Jona was in het ruim van het schip afgedaald, was daar gaan liggen en in een diepe slaap gevallen. De schipper ging naar hem toe en zei tegen hem: "Wat lig jij hier te slapen! Sta op, roep je God aan! Misschien dat hij zich om ons bekommert, zodat we niet vergaan." Intussen overlegden de zeelieden: "Laten we het lot werpen om te weten te komen wiens schuld het is dat deze ramp ons treft." Ze wierpen het lot, en het lot viel op Jona. Toen zeiden ze tegen hem: "Vertel ons: Hoe komt het dat deze ramp ons treft? Wat doe je hier aan boord? Waar kom je vandaan? Uit welk land kom je? Bij welk volk hoor je?" Jona antwoordde: "Ik ben een Hebreeër en ik vereer de HEER, de God van de hemel, de God die de zee en het land gemaakt heeft." De mannen werden doodsbang, en toen ze van hem hoorden dat hij was weggevlucht van de HEER, zeiden ze tegen hem: "Hoe heb je dat kunnen doen?" En ze vroegen hem: "Wat moeten we met je doen, dat de zee ons met rust laat?" Want de zee werd hoe langer hoe onstuimiger. Hij antwoordde: "Gooi me in zee, dan zal de zee jullie met rust laten. Want ik weet dat het mijn schuld is dat deze storm zo tegen jullie tekeergaat." Maar de mannen roeiden uit alle macht om weer aan land te komen; dat lukte hun echter niet, want de zee ging steeds onstuimiger tegen hen tekeer. Toen riepen ze tot de HEER: "Ach HEER, laat ons toch niet vergaan als wij het leven van deze man opofferen. Reken het ons niet aan als hier een onschuldige sterft. U bent de HEER, al wat u wilt dat doet u!" Toen tilden ze Jona op en gooiden hem in zee, en de woede van de zee bedaarde. De mannen werden vervuld met bang ontzag voor de HEER. Ze brachten hem een offer en deden hem geloften.

De HEER liet Jona opslokken door een grote vis. Drie dagen en drie nachten zat Jona in de buik van de vis.Toen begon hij in de buik van de vis tot de HEER, zijn God, te bidden:

"In mijn nood roep ik de HEER aan
en hij antwoordt mij.
Uit het rijk van de dood schreeuw ik om hulp -
u hoort mijn stem!

U slingerde mij de diepte in, naar het hart van de zee.
Door kolkend water ben ik omgeven,
zwaar slaan uw golven over mij heen.
Ik dacht: Verstoten ben ik, verbannen uit uw ogen.
Maar eens zal ik opnieuw
uw heilige tempel aanschouwen.

Het water stijgt tot aan mijn lippen,
muren van water storten op mij neer,
zeewier om mijn hoofd verstikt mij.
Ik zink tot de bodem, waar de bergen oprijzen,
naar het rijk dat zijn grendels voorgoed achter mij sluit.
Maar u trekt mij levend uit de dood omhoog,
o HEER, mijn God!
Nu mijn levensadem mij verlaat
roep ik u aan, HEER,
en mijn gebed komt tot u
in uw heilige tempel.

Zij die armzalige afgoden vereren,
verlaten u, trouwe God.
Maar ik zal mijn stem in dank verheffen
en u offers brengen;
mijn geloften los ik in.
Het is de HEER die redt!"

Toen, op bevel van de HEER, spuwde de vis Jona uit op het land.

Opnieuw richtte de HEER zich tot Jona: "Maak je gereed en ga naar Nineve, die grote stad, om haar aan te klagen met de woorden die ik je zeg." En Jona maakte zich gereed en ging naar Nineve, zoals de HEER hem opgedragen had. Nineve was een reusachtige stad, ter grootte van drie dagreizen. Jona trok de stad in, één dagreis ver, en riep: "Nog veertig dagen, dan wordt Nineve weggevaagd!" De inwoners van Nineve geloofden God: ze riepen een vasten uit en iedereen, van hoog tot laag, hulde zich in een boetekleed. Toen de profetie de koning van Nineve bereikte, stond hij op van zijn troon, legde zijn staatsiegewaad af en ging, gehuld in een boetekleed, op de grond zitten. En hij liet in Nineve omroepen: "Volgens bevel van de koning en zijn edelen is het niemand toegestaan te eten of te drinken, mens noch dier, rund noch schaap of geit. De dieren mogen niet grazen of water drinken. Iedereen, mens en dier, moet zich hullen in een boetekleed en luidkeels God aanroepen. Laat iedereen anders gaan leven en breken met het onrecht dat hij doet. Misschien dat God van gedachten verandert en op zijn besluit terugkomt; wie weet zal hij zijn woede laten varen, zodat wij niet te gronde gaan." Toen God zag dat zij inderdaad anders begonnen te leven, kwam hij terug op wat hij gedreigd had hun aan te doen, en hij deed het niet.

Dit wekte grote ergernis bij Jona en hij werd kwaad. Hij bad tot de HEER: "Ach HEER, heb ik het niet gezegd toen ik nog thuis was? Daarom wilde ik naar Tarsis vluchten. Ik wist het wel: u bent een God die genadig is en liefdevol, geduldig en trouw, en tot vergeving bereid. Laat mij maar sterven, HEER: ik ben liever dood dan dat ik zo verder moet leven." Maar de HEER zei: "Is het terecht dat je zo kwaad bent?"

Nadat Jona Nineve had verlaten, was hij aan de oostkant van de stad gaan zitten. Hij had er een hut gemaakt om in de schaduw af te wachten wat er met de stad zou gebeuren. Nu liet God, de HEER, een wonderboom opschieten om Jona schaduw boven zijn hoofd te geven en zijn ergernis te verdrijven. Jona was opgetogen over de plant. Maar de volgende morgen, bij het aanbreken van de dag, liet God de plant door een worm aanvreten, zodat hij verdorde. En toen de zon opkwam, liet God een verzengende wind uit het oosten waaien; de zon brandde zo op Jona's hoofd dat hij door de hitte werd bevangen. Hij bad om te mogen sterven: "Ik ben liever dood dan dat ik zo verder moet leven." Maar God zei tegen Jona: "Is het terecht dat je zo kwaad bent over die plant?" Jona antwoordde: "Ik ben verschrikkelijk kwaad, en terecht!" Toen zei de HEER: "Als jij al verdriet hebt om die wonderboom, waar jij geen enkele moeite voor hebt hoeven doen en die jij niet hebt laten groeien, een plant die in één nacht opkwam en in één nacht verging, zou ik dan geen verdriet hebben om Nineve, die grote stad, waar meer dan honderdtwintigduizend mensen wonen die het verschil tussen links en rechts niet eens kennen, en dan nog al die dieren?"

Lezing uit het boek Jozua (5:10-15)

Toen de Israëlieten in hun kamp bij Gilgal waren, op de vlakte van Jericho, bereidden ze in de avond van de veertiende dag van die eerste maand het pesachoffer. Al één dag na het pesachoffer aten ze ongedesemd brood en geroosterd graan van de opbrengst van het land. Er kwam die dag geen manna meer; de Israëlieten kregen vanaf toen nooit meer manna. Ze aten dat jaar van de opbrengst van de akkers van Kanaän.

Toen Jozua eens in de omgeving van Jericho liep, zag hij plotseling een man tegenover zich met een getrokken zwaard in de hand. Jozua ging op hem af en vroeg: "Hoor je bij ons of bij de vijand?" De man antwoordde: "Bij geen van beide, ik ben de aanvoerder van het leger van de HEER. Daarom ben ik hier." Jozua viel op zijn knieën, boog diep voorover en vroeg hem: "Mijn heer, ik ben uw dienaar, wat beveelt u mij?" De aanvoerder van het leger van de HEER zei tegen Jozua: "Trek je sandalen uit, want de plaats waarop je staat is heilig." Jozua deed wat hem bevolen was.

Lezing uit het boek der Uittocht (13:20-15:20)

Nadat ze Sukkot hadden verlaten, sloegen ze hun kamp op in Etam, aan de rand van de woestijn. De HEER ging voor hen uit om hun de weg te wijzen, overdag in een wolkkolom, 's nachts in een lichtende vuurzuil. Zo konden ze dag en nacht verder trekken. Overdag ging de wolkkolom het volk voortdurend voor, en 's nachts de vuurzuil.

De HEER zei tegen Mozes: "Zeg tegen de Israëlieten dat ze omkeren en hun kamp opslaan voor Pi-Hachirot, tussen Migdol en de zee; jullie moeten je kamp recht tegenover Baäl-Sefon opslaan, vlak bij de zee. De farao zal denken dat jullie de weg kwijt zijn geraakt en de woestijn niet meer uit kunnen komen. Ik zal ervoor zorgen dat hij onverzettelijk blijft, zodat hij jullie achtervolgt, en dan zal ik mijn majesteit tonen door de farao en zijn hele leger ten val te brengen. Dan zullen de Egyptenaren beseffen dat ik de HEER ben." De Israëlieten gehoorzaamden.

Toen aan de farao, de koning van Egypte, bericht werd dat het volk gevlucht was, kregen hij en zijn hovelingen spijt. "Hoe konden we Israël zomaar laten vertrekken!" zeiden ze. "Nu zijn we onze slaven kwijt." De farao liet zijn strijdwagen inspannen en verzamelde zijn krijgsvolk. Hij nam de zeshonderd beste wagens van Egypte mee, en ook alle andere, stuk voor stuk bemand met officieren. De HEER zorgde ervoor dat de farao, de koning van Egypte, onverzettelijk bleef, zodat hij de achtervolging van de Israëlieten inzette, die onbevreesd vertrokken waren.

De Egyptenaren achtervolgden hen, en haalden hen in bij Pi-Hachirot, waar het volk van Israël zijn kamp had opgeslagen, dicht bij de zee, tegenover Baäl-Sefon. Toen de Israëlieten de farao zagen naderen, met al zijn paarden, wagens en ruiters en al zijn voetvolk, werden ze doodsbang en riepen ze de HEER luidkeels om hulp. Ze zeiden tegen Mozes: "Waren er soms in Egypte geen graven, dat u ons hebt meegenomen om in de woestijn te sterven? Hoe kon u ons dit aandoen! Waarom hebt u ons uit Egypte weggehaald? Hebben we niet al in Egypte gezegd: 'Laat ons toch met rust, laat ons maar als slaven voor de Egyptenaren werken, want dat is altijd nog beter dan om te komen in de woestijn'?" Maar Mozes antwoordde het volk: "Wees niet bang, wacht rustig af. Dan zult u zien hoe de HEER vandaag voor u de overwinning behaalt. De Egyptenaren die u daar nu ziet, zult u hierna nooit meer terugzien. De HEER zal voor u strijden, u hoeft zelf niets te doen."

De HEER zei tegen Mozes: "Waarom roep je mij te hulp? Zeg tegen de Israëlieten dat ze verder trekken. Jij moet je staf geheven houden boven de zee en zo het water splijten, zodat de Israëlieten dwars door de zee kunnen gaan, over droog land. Ik zal de Egyptenaren onverzettelijk maken zodat ze hen achterna gaan, en dan zal ik mijn majesteit tonen door de farao en zijn hele leger, zijn wagens en zijn ruiters, ten val te brengen. De Egyptenaren zullen beseffen dat ik de HEER ben, als ik in mijn majesteit de farao, met al zijn wagens en ruiters, ten val heb gebracht."

De engel van God, die steeds voor het leger van de Israëlieten uit was gegaan, stelde zich nu achter hen op. Ook de wolkkolom die eerst voor hen uit ging stelde zich achter hen op, zodat hij tussen het leger van de Egyptenaren en dat van de Israëlieten kwam te staan. Aan de ene kant bracht de wolk duisternis, aan de andere kant verlichtte de vuurzuil de nacht. Die hele nacht konden de legers niet bij elkaar komen. Toen hield Mozes zijn arm boven de zee, en de HEER liet de zee terugwijken door gedurende de hele nacht een krachtige oostenwind te laten waaien. Hij veranderde de zee in droog land. Het water spleet, en zo konden de Israëlieten dwars door de zee gaan, over droog land; rechts en links van hen rees het water op als een muur. De Egyptenaren achtervolgden hen, alle paarden en wagens van de farao en al zijn ruiters gingen achter hen aan de zee in. Maar in de morgenwake keek de HEER vanuit de vuurzuil en de wolkkolom neer op het Egyptische leger en zaaide paniek onder hen. Hij liet de wielen van de wagens vastlopen, zodat de Egyptenaren de grootste moeite hadden om vooruit te komen. "Laten we vluchten!" riepen ze. "De HEER steunt de Israëlieten, hij strijdt tegen ons!"

De HEER zei tegen Mozes: "Strek je arm uit boven de zee; dan stroomt het water terug, over de Egyptenaren en over al hun wagens en ruiters." Mozes gehoorzaamde, en toen de dageraad aanbrak, stroomde de zee terug naar haar gewone plaats. De Egyptenaren vluchtten het water tegemoet, de HEER dreef hen regelrecht de golven in. Het terugstromende water overspoelde het hele leger van de farao, al zijn wagens en ruiters, die achter de Israëlieten aan de zee in gereden waren; niet een van hen bleef in leven. Maar de Israëlieten waren dwars door de zee gegaan, over droog land, terwijl rechts en links van hen het water als een muur omhoogrees.

Zo redde de HEER de Israëlieten die dag uit de handen van de Egyptenaren. Toen ze de Egyptenaren dood langs de zee zagen liggen en het tot hen doordrong hoe krachtig de HEER tegen Egypte was opgetreden, kregen ze ontzag voor de HEER en stelden ze hun vertrouwen in hem en in zijn dienaar Mozes.

Toen zong Mozes, samen met de Israëlieten, dit lied ter ere van de HEER:

"Ik wil zingen voor de HEER,
zijn macht en majesteit zijn groot!
Paarden en ruiters wierp hij in zee.

De HEER is mijn sterkte, hij is mijn beschermer,
de HEER kwam mij te hulp.
Hij is mijn God, hem wil ik eren,
de God van mijn vader, hem loof en prijs ik.
Zijn naam is HEER, hij is een krijgsheld.
De wagens van de farao slingerde hij in zee.
Daar, in de Rietzee, verdronk het leger,
zijn beste officieren kwamen om.
Wild kolkend water overspoelde hen,
ze verdwenen in de diepte, zonken als een steen.
Uw hand, HEER, ontzagwekkend in kracht,
uw hand, HEER, verplettert de vijand.

U toont uw majesteit en breekt uw tegenstanders,
uw toorn ontbrandt en verteert hen als stro.
De adem van uw neus stuwde het water omhoog,
de wilde watermassa's stonden als een wal,
het kolkende water stolde in het diepst van de zee.
De vijand dacht: Ik achtervolg hen, haal hen in, verdeel de buit.
Weldra wordt mijn wraaklust bevredigd,
ik trek mijn zwaard, ik onderwerp hen weer.
Maar u blies, uw adem waaide en de zee bedekte hen,
zij kwamen om in het ontzagwekkende water,
ze zonken weg als lood.
Wie onder de goden is uw gelijke, HEER?
Wie is uw gelijke, zo ontzagwekkend en heilig,
wie dwingt zoveel eerbied af met roemrijke daden,
wie anders verricht zulke wonderen?

U strekte uw hand uit en de aarde verzwolg hen.
U bevrijdde dit volk en ging het liefdevol voor,
sterk en machtig leidde u het naar uw heilige woning.
Alle volken hoorden het, alle volken huiverden,
de Filistijnen beefden, ze krompen van angst ineen,
ontzetting maakte zich meester van de stamvorsten van Edom,
van de machtigen van Moab. Ze waren verlamd van schrik.
De Kanaänieten sidderden, allen waren doodsbang.
Angst overviel hen, vrees beving hen
toen zij hoorden van uw machtige daden,
zij werden stom als steen,
terwijl uw volk voorbijtrok, HEER,
terwijl uw volk voorbijtrok, het volk door u geschapen.

U brengt hen naar de berg die uw domein is, HEER,
en daar zult u hen planten,
in uw eigen woning, het heiligdom door u gebouwd.

De HEER is koning voor eeuwig en altijd!"

Lezing uit de profetieën van Zefanja (3:8-15)

Wacht maar - spreekt de HEER -,
wacht op de dag dat ik mijn buit kom halen.
Ik heb besloten volken te verzamelen
en koninkrijken bijeen te halen,
en mijn toorn, mijn laaiende woede over ze uit te storten.
Door het vuur van mijn woede vergaat heel de aarde.

Dan zal ik de lippen van de volken rein maken,
zij zullen de naam van de HEER aanroepen,
ze zullen hem dienen, zij aan zij.
Van over de rivieren van Nubië
zullen zij die ik verstrooid heb
mij komen vereren
en mij hun offergaven brengen.
Op die dag hoef je je niet meer te schamen
voor alle daden waarmee je tegen mij in opstand kwam.
Wie van overmoed vrolijk is laat ik uit je midden verdwijnen,
op mijn heilige berg zul je niet meer hoogmoedig zijn.
Ik zal een arm en zwak volk binnen je muren achterlaten
dat in de naam van de HEER een toevlucht vindt.
Wie er van Israël overblijven, zullen niet langer onrecht doen,
ze zullen geen leugens spreken,
uit hun mond zal geen bedrieglijke taal meer klinken.
Ze zullen weiden en rustig liggen, en niemand die ze stoort.

Jubel, vrouwe Sion,
zing van vreugde, Israël,
juich met heel je hart, vrouwe Jeruzalem!
De HEER heeft het vonnis over jou tenietgedaan
en je vijand verdreven.
De HEER, de koning van Israël, is in je midden,
je hebt geen kwaad meer te vrezen.

Lezing uit het eerste boek der Koningen (17:8-23)

Toen richtte de HEER zich tot Elia met de woorden: "Ga naar Sarefat, in de buurt van Sidon, en neem daar je intrek. Ik heb een weduwe daar opgedragen je van voedsel te voorzien." Elia ging op weg naar Sarefat, en toen hij bij de stadspoort aankwam, zag hij een weduwe die bezig was hout te sprokkelen. Hij riep haar en vroeg of ze een kommetje water voor hem wilde halen, zodat hij zijn dorst kon lessen. Terwijl ze wegliep om water te halen, riep hij haar na of ze ook een stuk brood voor hem wilde meenemen. "Zo waar de HEER, uw God, leeft," antwoordde zij, "ik heb niets meer in voorraad, alleen een handjevol meel in de pot en een restje olijfolie in de kruik. Kijk, ik heb net een paar takken geraapt om iets te eten te maken voor mij en mijn zoon. Als dat op is, zullen we van honger sterven." Maar Elia zei: "Maak u niet ongerust. Doe wat u van plan was, maar bak van wat u in huis hebt eerst iets voor mij en kom me dat brengen. Daarna kunt u voor uzelf en uw zoon iets klaarmaken, want dit zegt de HEER, de God van Israël: Tot op de dag dat ik weer regen op de aarde zal laten vallen, zal er meel in de pot zijn en zal de oliekruik niet leeg raken." De vrouw ging naar huis en deed wat Elia had gezegd. En ze hadden elke dag te eten, zij, Elia en haar familie. Er was meel in de pot en de oliekruik raakte niet leeg, zoals de HEER bij monde van Elia had beloofd.

Enige tijd later werd het kind van Elia's gastvrouw ziek, en wel zo ernstig dat ten slotte alle leven uit hem week. Toen zei de vrouw tegen Elia: "Wat heb ik u misdaan, godsman? Bent u soms naar me toe gekomen om mijn zonden aan het licht te brengen en mijn zoon te doden?" "Geef mij uw zoon," zei hij, en hij nam de jongen van haar schoot en droeg hem naar boven, naar de kamer die hij in gebruik had, en legde hem op zijn eigen bed. Toen riep hij de HEER aan en vroeg: "HEER, mijn God, waarom treft u juist deze weduwe, die mij gastvrijheid verleent, door haar zoon te doden?" Hij strekte zich driemaal over het kind uit, daarbij de HEER aanroepend met de woorden: "HEER, mijn God, laat toch de levensadem in de borst van dit kind terugkeren." De HEER verhoorde Elia's smeekbede: de levensadem keerde terug in de borst van het kind, en het leefde weer. Elia nam het kind op, droeg het naar beneden en gaf het aan zijn moeder terug.

Lezing uit de profetieën van Jesaja (61:10-62:5)

Ik vind grote vreugde in de HEER,
mijn hele wezen jubelt om mijn God.
Hij deed mij het kleed van de bevrijding aan,
hulde mij in de mantel van de gerechtigheid,
zoals een bruidegom een kroon opzet,
zoals een bruid zich tooit met haar sieraden.
Want zoals de aarde haar gewassen voortbrengt,
zoals een tuin het gezaaide laat ontkiemen,
zo laat God, de HEER, gerechtigheid ontkiemen
en glorie voor het oog van alle volken.

Omwille van Sion zal ik niet zwijgen,
omwille van Jeruzalem ben ik niet stil,
totdat het licht van haar gerechtigheid daagt
en de fakkel van haar redding brandt.
Alle volken zullen je gerechtigheid zien,
alle koningen je majesteit.
Men zal je noemen bij een nieuwe naam
die de HEER zelf heeft bepaald.
Je zult een schitterende kroon zijn
in de hand van de HEER,
een koninklijke tulband
in de hand van je God.
Men noemt je niet langer Verlatene
en je land niet langer Troosteloos oord,
maar je zult heten Mijn verlangen
en je land Mijn bruid.
Want de HEER verlangt naar jou
en je land wordt ten huwelijk genomen.
Zoals een jongeman een meisje tot vrouw neemt,
zo zullen jouw zonen jou ten huwelijk nemen,
en zoals de bruidegom zich verheugt over zijn bruid,
zo zal je God zich over jou verheugen.

Lezing uit het boek der Schepping (22:1-18)

Enige tijd later stelde God Abraham op de proef. "Abraham!" zei hij. "Ik luister," antwoordde Abraham. "Roep je zoon, je enige, van wie je zoveel houdt, Isaak, en ga met hem naar het gebied waarin de Moria ligt. Daar moet je hem offeren op een berg die ik je wijzen zal."

De volgende morgen stond Abraham vroeg op. Hij zadelde zijn ezel, nam twee van zijn knechten en zijn zoon Isaak met zich mee, hakte hout voor het offer en ging op weg naar de plaats waarover God had gesproken. Op de derde dag zag Abraham die plaats in de verte liggen. Toen zei hij tegen de knechten: "Blijven jullie hier met de ezel. Ikzelf ga met de jongen verder om daarginds neer te knielen. Daarna komen we naar jullie terug." Hij pakte het hout voor het offer, legde het op de schouders van zijn zoon Isaak en nam zelf het vuur en het mes. Zo gingen zij samen verder. "Vader," zei Isaak. "Wat wil je me zeggen, mijn jongen?" antwoordde Abraham. "We hebben vuur en hout," zei Isaak, "maar waar is het lam voor het offer?" Abraham antwoordde: "God zal zich zelf van een offerlam voorzien, mijn jongen." En samen gingen zij verder. Toen ze waren aangekomen bij de plaats waarover God had gesproken, bouwde Abraham daar een altaar, schikte het hout erop, bond zijn zoon Isaak vast en legde hem op het altaar, op het hout. Toen pakte hij het mes om zijn zoon te slachten. Maar een engel van de HEER riep vanuit de hemel: "Abraham, Abraham!" "Ik luister," antwoordde hij. "Raak de jongen niet aan, doe hem niets! Want nu weet ik dat je ontzag voor God hebt: je hebt mij je zoon, je enige, niet willen onthouden." Toen Abraham opkeek, zag hij een ram die met zijn horens verstrikt was geraakt in de struiken. Hij pakte het dier en offerde dat in de plaats van zijn zoon. Abraham noemde die plaats "De HEER zal erin voorzien". Vandaar dat men tot op de dag van vandaag zegt: "Op de berg van de HEER zal erin voorzien worden."

Toen sprak de engel van de HEER opnieuw vanuit de hemel tot Abraham. Hij zei: "Ik zweer bij mijzelf - spreekt de HEER: Omdat je dit hebt gedaan, omdat je mij je zoon, je enige, niet hebt onthouden, zal ik je rijkelijk zegenen en je zoveel nakomelingen geven als er sterren aan de hemel zijn en zandkorrels op het strand langs de zee, en je nakomelingen zullen de steden van hun vijanden in bezit krijgen. En alle volken op aarde zullen wensen zo gezegend te worden als jouw nakomelingen. Want jij hebt naar mij geluisterd."

Lezing uit de profetieën van Jesaja (61:1-9)

De geest van God, de HEER, rust op mij,
want de HEER heeft mij gezalfd.
Om aan armen het goede nieuws te brengen
heeft hij mij gezonden,
om aan verslagen harten hoop te bieden,
om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken
en aan geketenden hun bevrijding,
om een genadejaar van de HEER uit te roepen
en een dag van wraak voor onze God,
om allen die treuren te troosten,
om aan Sions treurenden te schenken
een kroon op hun hoofd in plaats van stof,
vreugdeolie in plaats van een rouwgewaad,
feestkledij in plaats van verslagenheid.
Men noemt hen "Terebinten van gerechtigheid",
geplant door de HEER als teken van zijn luister.

Wat eertijds vernield werd, zullen zij herbouwen,
de lang verlaten streken weer bevolken;
ze herstellen de vervallen steden,
verlaten sinds mensenheugenis.
Vreemden staan je ten dienste en hoeden je schapen,
vreemdelingen worden je dagloner of wijnbouwer.
En jullie worden priester van de HEER genoemd,
dienaar van onze God zul je heten.
Je zult je te goed doen aan de rijkdom
door vreemde volken vergaard,
je zult je met hun luister bekleden.
De smaad die je verdiende loon werd genoemd,
je schande wordt je dubbel vergoed.
Daarom erven zij dubbel van het land
en is eeuwige vreugde hun deel.
Want ik, de HEER, heb het recht lief,
ik haat offers van roofgoed.
Ik zal hen getrouw belonen,
een eeuwig verbond sluit ik met hen.
Hun kinderen zullen vermaard zijn bij alle volken,
heel de aarde kent hun nageslacht.
Dan zullen allen die hen zien erkennen:
"Dat zijn de kinderen die de HEER heeft gezegend."

Lezing uit het tweede boek der Koningen (4:8-37)

Op zekere dag kwam Elisa door Sunem. Daar woonde een voorname vrouw die hem dringend uitnodigde om te komen eten. Van toen af aan ging hij elke keer als hij langs Sunem kwam bij haar eten. De vrouw zei tegen haar man: "Die godsman die telkens bij ons op bezoek komt, is beslist heilig. Laten we op het dak van ons huis een kamer voor hem maken en daar een bed, een tafel, een stoel en een lamp neerzetten, dan kan hij zich daar terugtrekken als hij bij ons komt." Toen Elisa op een dag weer door Sunem kwam, onderbrak hij zijn reis en ging rusten in het voor hem ingerichte vertrek. Hij vroeg zijn knecht Gechazi de gastvrouw te roepen. Toen de vrouw op Gechazi's verzoek naar boven was gekomen zei Elisa tegen Gechazi: "Vraag haar wat we voor haar kunnen doen in ruil voor alle moeite die zij zich voor ons getroost heeft. Kunnen we voor haar bij de koning pleiten, of bij de bevelhebber van het leger?" Maar de vrouw antwoordde: "Ik leef te midden van mijn eigen volk." Weer vroeg Elisa: "Kan ik echt niets voor haar doen?" en Gechazi antwoordde: "Jawel, ze heeft geen zoon, en haar man is al oud." Toen zei Elisa: "Roep haar binnen." Gechazi riep haar, de vrouw kwam in de deuropening staan en Elisa zei tegen haar: "Vandaag over een jaar zult u een zoon in uw armen houden." "Nee, waarde godsman," antwoordde ze, "spiegelt u me toch niets voor." Maar de vrouw werd zwanger en precies een jaar later baarde ze een zoon, zoals Elisa had voorzegd.

Het kind groeide op. Op zekere dag, toen hij was gaan kijken bij zijn vader, die met de maaiers op het land was, riep hij plotseling uit: "Mijn hoofd! Mijn hoofd!" De vader beval een knecht de jongen naar zijn moeder te brengen. De knecht nam hem op en droeg hem naar zijn moeder. Zij hield hem op haar schoot, maar tegen het middaguur stierf hij. Toen ging ze naar boven, legde de jongen op het bed van de godsman en sloot de deur van het vertrek. Daarna ging ze naar buiten en riep tegen haar man: "stuur me een van de knechten met een ezelin! Ik wil zo snel mogelijk naar de godsman, maar ik kom direct weer terug." "Waarom zou je naar de godsman gaan?" vroeg hij. "Het is toch geen nieuwe maan vandaag, en ook geen sabbat?" "Laat me nu maar," zei ze. Ze zadelde de ezelin en zei tegen de knecht: "Drijf de ezelin zonder ophouden aan, tot ik zeg dat je halt kunt houden."

Zo ging ze op weg naar Elisa, die op de Karmel verbleef. Toen de godsman haar zag aankomen, zei hij tegen zijn knecht Gechazi: "Kijk, daar heb je de vrouw uit Sunem. Ga haar vlug tegemoet en vraag hoe het met haar gaat, en met haar man en haar zoon." De vrouw antwoordde dat het goed ging, maar toen ze bij de godsman op de berg aankwam, greep ze zijn voeten vast. Gechazi liep op haar toe om haar weg te jagen, maar de godsman zei: "Laat haar maar, ze heeft verdriet. En ik wist daar niets van, de HEER heeft het voor mij verborgen gehouden." Toen zei de vrouw: "Heb ik u soms om een zoon gevraagd? Heb ik niet gezegd dat u geen valse hoop moest wekken?" Hierop zei Elisa tegen Gechazi: "Neem mijn staf en ga er zo snel mogelijk naartoe. Als je iemand tegenkomt, groet hem dan niet. Als iemand jou groet, zeg dan niets terug. Je moet mijn staf op de jongen leggen." Maar de moeder van de jongen zei: "Zo waar de HEER leeft, en zo waar u leeft, ik ga niet zonder u." Toen stond Elisa op en ging met haar mee.

Gechazi was hun vooruitgegaan en had de staf op de jongen gelegd, maar die had geen teken van leven gegeven. Hij keerde terug en vertelde Elisa dat de jongen niet wakker was geworden. Toen Elisa zelf bij het huis aankwam, zag hij de jongen dood op zijn eigen bed liggen. Hij ging de kamer binnen en sloot de deur achter zich. Toen bad hij tot de HEER. Daarna liep hij naar het bed toe en ging boven op het kind liggen, met zijn mond op zijn mond, zijn ogen op zijn ogen en zijn handpalmen op zijn handpalmen. Zo bleef hij over het kind uitgestrekt liggen tot het lichaam weer warm werd. Toen kwam hij overeind, liep door de kamer heen en weer, en strekte zich nogmaals over het kind uit. Uiteindelijk niesde de jongen wel zeven keer, en opende zijn ogen. "Roep de moeder," riep Elisa tegen Gechazi. Gechazi waarschuwde haar, en toen ze boven kwam zei Elisa: "U kunt uw zoon meenemen." De vrouw kwam de kamer binnen, viel aan Elisa's voeten neer en boog diep voorover. Toen nam ze haar zoon op en ging de kamer uit.

Lezing uit de profetieën van Jesaja (63:11-64:5)

Toen dacht hij aan de dagen van weleer,
aan Mozes en zijn volk.

Waar is hij die zijn volk door de zee voerde,
waar zijn de herders van zijn kudde?
Waar is hij die hen bezielde
met zijn heilige geest?
Die Mozes ter zijde stond met zijn luisterrijke arm,
die voor hen het water kliefde
om zich een eeuwige naam te verwerven?
Die hen door de diepte leidde
als paarden door de woestijn,
zonder dat ze struikelden,
als vee dat afdaalt naar het dal?
Het was de geest van de HEER die hun rust gaf.
Ja, u hebt zelf uw volk geleid
om u een luisterrijke naam te verwerven.

Zie neer vanuit de hemel,
kijk vanuit uw heilige, luisterrijke woning.
Waar zijn uw strijdlust en uw machtige daden?
U bent niet meer met mij begaan,
uw ontferming gaat aan mij voorbij.
U bent toch onze vader?
Abraham heeft ons niet gekend
en Israël zou ons niet herkennen,
maar u, HEER, bent onze vader,
van oudsher heet u Onze beschermer.
Waarom, HEER, liet u ons afdwalen van uw wegen?
Waarom hebt u ons onbuigzaam gemaakt,
zodat wij geen ontzag meer voor u hadden?
Keer toch terug, omwille van uw dienaren,
van de stammen die u toebehoren.
Sinds kort hebben onze vijanden
uw heilig volk in hun macht gekregen
en uw heiligdom vertrapt.
Het is alsof u nooit over ons hebt geheerst,
alsof uw naam nooit over ons is uitgeroepen.

Scheurde u maar de hemel open om af te dalen!
De bergen zouden voor u beven.
Zoals vuur dorre twijgen in vlam zet,
zoals vuur water doet koken,
zo zou u uw vijanden uw naam laten kennen
en alle volken voor u laten beven,
omdat u de geduchte daden doet
waarop wij niet durven hopen.
Als u toch zou afdalen!
De bergen zouden voor u beven.

Nog nooit is zoiets gehoord,
Niet eerder zoiets vernomen.
Geen oog zag ooit een god buiten u,
die opkomt voor wie op hem wacht.
U komt ieder tegemoet
die van harte rechtvaardig handelt,
die uw weg gaat, met u voor ogen.

Lezing uit de profetieën van Jeremia (31:31-34)

De dag zal komen - spreekt de HEER - dat ik met het volk van Israël en het volk van Juda een nieuw verbond sluit, een ander verbond dan ik met hun voorouders sloot toen ik hen bij de hand nam om hen uit Egypte weg te leiden. Zij hebben dat verbond verbroken, hoewel ze mij toebehoorden - spreekt de HEER. Maar dit is het verbond dat ik in de toekomst met Israël zal sluiten - spreekt de HEER: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en hem in hun hart schrijven. Dan zal ik hun God zijn en zij mijn volk. Men zal elkaar niet meer hoeven te onderwijzen met de woorden: “Leer de HEER kennen,” want iedereen, van groot tot klein, kent mij dan al - spreekt de HEER. Ik zal hun zonden vergeven en nooit meer denken aan wat ze hebben misdaan.

Lezing uit het boek Daniël (3:1-88)

Op een dag gaf koning Nebukadnessar opdracht een gouden beeld te maken, zestig el hoog en zes el breed, en hij liet het opstellen in de provincie Babel, in de vlakte van Dura. Vervolgens ontbood hij de satrapen, stadhouders, gouverneurs, staatsraden, schatbewaarders, rechters, magistraten en alle bestuurders van de provincies; ze moesten de inwijding bijwonen van het beeld dat koning Nebukadnessar had opgericht. De satrapen, stadhouders, gouverneurs, staatsraden, schatbewaarders, rechters, magistraten en alle bestuurders van de provincies kwamen bijeen om het beeld dat koning Nebukadnessar had opgericht in te wijden. Ze stelden zich op voor het door Nebukadnessar opgerichte beeld. Een heraut riep met luide stem: "Volken en naties, welke taal u ook spreekt, luister naar dit bevel. Zodra u de muziek hoort van hoorn, panfluit, lier, luit, citer, dubbelfluit en andere instrumenten, valt u op uw knieën neer en buigt u in aanbidding voor het gouden beeld dat koning Nebukadnessar heeft opgericht. Wie niet neerknielt en buigt, zal onmiddellijk in een brandende oven worden gegooid." En dus knielden alle volken en naties, welke taal zij ook spraken, zodra ze de muziek van hoorn, panfluit, lier, luit, citer, dubbelfluit en andere instrumenten hoorden, en bogen zij in aanbidding voor het gouden beeld dat koning Nebukadnessar had opgericht.

Enkele Chaldeeën namen de gelegenheid te baat en traden naar voren om de Judeeërs te beschuldigen. Ze zeiden tegen koning Nebukadnessar: "Majesteit, leef in eeuwigheid! U hebt bevolen dat iedereen die de muziek van hoorn, panfluit, lier, luit, citer, dubbelfluit en andere instrumenten hoort, op zijn knieën moet neervallen en het gouden beeld moet aanbidden, en dat ieder die weigert in een brandende oven moet worden gegooid. Er zijn enkele Judese mannen aan wie u het bestuur over de provincie Babel hebt opgedragen, Sadrach, Mesach en Abednego. Deze mannen storen zich niet aan uw bevel, majesteit. Ze vereren uw goden niet en buigen niet voor het gouden beeld dat u hebt opgericht."

Nebukadnessar barstte in woede uit en beval Sadrach, Mesach en Abednego bij hem te brengen. Toen de mannen voor de koning waren geleid, voer Nebukadnessar uit: "Is het waar, Sadrach, Mesach en Abednego, dat jullie mijn goden niet vereren en niet willen neerknielen voor het gouden beeld dat ik heb opgericht? Luister goed, als jullie je bereid tonen om, zodra je de muziek van hoorn, panfluit, lier, luit, citer, dubbelfluit en andere instrumenten hoort, op je knieën te vallen en in aanbidding te buigen voor het beeld dat ik gemaakt heb... Maar weigeren jullie te buigen, dan worden jullie onmiddellijk in een brandende oven gegooid. En welke god zal jullie dan uit mijn handen kunnen redden?" Sadrach, Mesach en Abednego zeiden hierop tegen de koning: "Wij vinden het niet nodig, Nebukadnessar, uw vraag te beantwoorden, want als de God die wij vereren ons uit een brandende oven en uit uw handen kan redden, zal hij ons redden. Maar ook al redt hij ons niet, majesteit, weet dan dat wij uw goden niet zullen vereren, noch zullen buigen voor het gouden beeld dat u hebt opgericht."

Nebukadnessar werd razend, en met een van woede vertrokken gezicht keek hij Sadrach, Mesach en Abednego aan. Hij gaf opdracht de oven zevenmaal heter op te stoken dan men gewoonlijk deed. En hij beval enkele van de sterkste mannen uit zijn leger om Sadrach, Mesach en Abednego te knevelen en in de brandende oven te gooien. De mannen werden gekneveld en met kleren en al, met jassen, broeken en mutsen, in de brandende oven gegooid. Omdat het bevel van de koning strikt was opgevolgd en de oven uitzonderlijk heet was gestookt, werden de mannen die Sadrach, Mesach en Abednego naar boven brachten door de uitslaande vlammen gedood. De drie, Sadrach, Mesach en Abednego, vielen gekneveld in de laaiende oven.

Midden in de vlammen liepen ze rond, zongen lofliederen voor God en prezen de Heer. Azarja bleef staan en begon midden in het vuur hardop te bidden:

"Heer, God van onze voorouders, u bent geprezen en geloofd, uw naam zij verheerlijkt in eeuwigheid. U bent rechtvaardig geweest in alles wat u met ons hebt gedaan, al uw daden zijn waarachtig, al uw wegen recht, al uw oordelen waarheid. U hebt rechtvaardige vonnissen geveld over ons en over Jeruzalem, de heilige stad van onze voorouders. U hebt dit alles met ons gedaan als straf voor onze zonden, op grond van een rechtvaardig oordeel. Want wij hebben gezondigd en wetteloos gehandeld door van u afvallig te worden. Wij hebben op allerlei manieren gezondigd. We hebben uw geboden niet gehoorzaamd, we zijn ze niet nagekomen en we hebben niet gedaan wat u ons had bevolen opdat het ons goed zou gaan. Alles wat u over ons hebt gebracht en alles wat u met ons hebt gedaan, hebt u gedaan op grond van een rechtvaardig oordeel. U hebt ons uitgeleverd aan wetteloze vijanden, aan weerzinwekkende afvalligen en aan een onrechtvaardige koning, de slechtste op heel de aarde. Wij mogen onze mond niet meer opendoen; wie u dient en vereert, wordt vernederd en beschimpt. Lever ons niet voorgoed aan hen uit en verbreek uw verbond niet, omwille van uw naam. Ontzeg ons uw erbarmen niet, omwille van Abraham, door u bemind, omwille van Isaak, uw dienaar, en omwille van Israël, uw heilige, aan wie u hebt toegezegd dat u hun nakomelingen zo talrijk zou maken als de sterren aan de hemel en als zandkorrels op het strand langs de zee. Toch zijn wij, Heer, het geringste van alle volken geworden. Door onze zonden genieten wij nergens op aarde nog aanzien. En juist nu hebben wij geen leider, geen profeet, geen aanvoerder. Brandoffer noch slachtoffer, graanoffer noch reukoffer hebben wij, zelfs geen plaats om u offers te brengen en zo uw erbarmen af te smeken. Neem ons desondanks aan als mensen met een verbrijzeld hart en een vernederde geest, als kwamen wij met een brandoffer van rammen en stieren en met tienduizenden vette lammeren. Moge vandaag ons offer aan u zijn dat wij u onvoorwaardelijk volgen, want wie op u vertrouwt, wordt niet beschaamd. Wij volgen u met heel ons hart, wij hebben ontzag voor u en zoeken u. Maak ons niet te schande, maar laat u leiden door uw goedheid en uw groot erbarmen. Red ons door uw wonderbare daden en verleen luister aan uw naam, Heer. Mogen allen die uw dienaren kwaad berokkenen worden beschaamd. Mogen zij van alle heerschappij worden beroofd en laat schande hun deel zijn. Moge hun kracht verbrijzeld worden, zodat ze beseffen dat u alleen God, de Heer, bent, verheerlijkt in heel de bewoonde wereld."

De dienaren van de koning die de mannen in de oven hadden geworpen, bleven het vuur opstoken met aardolie, teer, vlasvezels en takkenbossen. De vlammen laaiden wel negenenveertig el boven de oven op, ze sloegen uit en verbrandden de Chaldeeën die rond de oven stonden. Maar de engel van de Heer was bij Azarja en de twee anderen in de oven neergedaald en joeg de vuurzee de oven uit. Midden in de oven liet hij een koele wind waaien, zodat het vuur hen niet eens aanraakte; ze voelden geen pijn en hadden er in het geheel geen last van.

Toen zongen de drie mannen in de oven als uit één mond lofliederen en verheerlijkten en prezen God:

"Geprezen bent u, Heer, God van onze voorouders,
geloofd en verhoogd in eeuwigheid.
Geprezen is uw heilige en luisterrijke naam,
geprezen, geloofd en verhoogd in eeuwigheid.
Geprezen bent u in uw heilige en luisterrijke tempel,
geprezen, bezongen en verheerlijkt in eeuwigheid.
Geprezen bent u, die afgronden peilt en op de cherubs troont,
geloofd en verhoogd in eeuwigheid.
Geprezen bent u op de troon van uw koninkrijk,
geprezen, bezongen en verhoogd in eeuwigheid.
Geprezen bent u in het hemelgewelf,
bezongen en verheerlijkt in eeuwigheid.

Alle schepselen, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
Hemelen, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
Engelen, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
Water boven de hemel, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
Heel de hemelse macht, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
Zon en maan, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
Sterren aan de hemel, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
Regen en dauw, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
Alle winden, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
Vuur en hitte, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
Koude en warmte, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
Rijp en sneeuw, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
Vorst en vrieskou, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
IJs en sneeuw, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
Nachten en dagen, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
Licht en duister, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
Bliksem en wolken, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
Heel de aarde, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
Bergen en heuvels, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
Al wat op aarde groeit, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
Oceanen en rivieren, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
Waterbronnen, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
Zeemonsters en al wat in het water zwemt, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
Alle vogels in de lucht, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
Dieren in het wild en al het vee, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
Mensen, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
Israël, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
Priesters, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
Tempeldienaars, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
Geest en hart van de rechtvaardigen, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
Al wie nederig is en God vereert, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid.
Chananja, Azarja en Misaël, prijs de Heer,
bezing en verhoog hem in eeuwigheid,
Apostelen, profeten en martelaren van de Heer, prijs de Heer.

H. Liturgie

Prokimen in de vijfde toon (Ps. 65)

Dat de gehele aarde voor U neerbuige
om U, o Heer, te bezingen.

- Juich voor de Heer, gehele aarde,
zing een psalm voor Zijn Naam.

Lezing uit de brief van de heilige Apostel Paulus aan de christenen te Rome (6:3-11)

Broeders, allen die in Christus zijn gedoopt, zijn met Hem in Zijn dood gedoopt. Wij zijn door de Doop met Hem medebegraven in Zijn dood opdat, zoals Christus uit de doden is opgewekt door de heerlijkheid van de Vader, ook wij een volkomen nieuw leven zouden gaan leiden.

Immers indien wij met Hem zijn samengegroeid in de gelijkvormigheid van Zijn dood, zullen we ook deelhebben aan Zijn Opstanding. Want we weten dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het zondige lichaam ten onder zou gaan en we niet langer slaaf zijn van de zonde. Immers wie gestorven is, die is rechtens vrij van de zonde.

Wanneer we dan met Christus gestorven zijn, dan geloven we ook dat wij met Hem zullen leven. Want we weten dat Christus, uit de doden opgewekt, nooit meer sterft: de dood heeft geen enkele macht meer over Hem. Want zijn sterven was een sterven voor de zonde: ééns en voor àl; maar Zijn leven is een leven voor God. Zo moet ook gij uzelf beschouwen als dood voor de zonde, maar als levend voor God in Christus Jesus onze Heer.

In plaats van Alleluia. Toon 7 (Ps. 81)

Sta op, o God, en oordeel de aarde,
want Uw erfdeel is onder alle volkeren.

- God staat op in de vergadering der goddelozen,
temidden der goden houdt Hij gericht.

- Hoe lang nog zult Gij onrechtvaardig richten
en aan de bozen Uw gunst verlenen?

- Verdedig de geringe en de wees,
doe recht aan de armzalige en behoeftige.

- Bevrijd de geringe en de arme
en ontruk hem uit de hand der boosdoeners.

- Zij hebben geen besef en geen oordeel meer,
in duisternis wandelen zij rond.

- Ik heb gesproken: gij zijt goden; gij allen zijt zonen van de Allerhoogste,
maar nochtans zult gij sterven als ieder mens, als een der vorsten zult gij vallen.



Index - Terug naar beginpagina - Stuur ons mail


Orthodoxe Parochie van de H.H. Eersttronende Apostelen Petrus en Paulus   |   28 maart 2003