Index - Witte Donderdag - Terug naar beginpagina


Grote Woensdag

Gregoriusliturgie

Prokimen in de vierde toon (Ps. 135)

Belijdt de God des hemels
want eeuwig is Zijn barmhartigheid.

- Belijdt de God der goden,
want eeuwig is Zijn barmhartigheid.

Lezing uit het boek der Uittocht (2:11-22)

Toen Mozes volwassen geworden was, zocht hij op een dag de mensen van zijn volk op. Hij zag welke zware dwangarbeid ze verrichtten en was er getuige van dat een Hebreeër, een volksgenoot van hem, door een Egyptenaar werd geslagen. Hij keek om zich heen, en toen hij zag dat er niemand in de buurt was sloeg hij de Egyptenaar dood; hij verborg hem onder het zand.

De dag daarop zag hij hoe twee Hebreeuwse mannen met elkaar op de vuist gingen. "Waarom sla je iemand van je eigen volk?" vroeg hij aan de man die begonnen was. Maar die antwoordde: "Wie heeft jou als leider en rechter over ons aangesteld? Wou je mij soms ook doodslaan, net als die Egyptenaar?" Mozes schrok, hij dacht: Dan is het dus toch bekend geworden! Toen de farao ervan hoorde, wilde hij Mozes laten doden. Daarom vluchtte Mozes voor de farao. Zo kwam hij in Midjan terecht, en daar ging hij bij een put zitten.

De priester van Midjan had zeven dochters. Zij kwamen daar water putten en vulden de drinkbakken om de schapen en geiten van hun vader te drinken te geven. Maar er kwamen ook herders, die hen wilden wegjagen. Daarop schoot Mozes hun te hulp en gaf het vee te drinken. Toen ze thuiskwamen, vroeg hun vader, Reüel, hoe het kwam dat ze die dag zo snel terug waren. "Er was een Egyptenaar die ons te hulp kwam tegen de herders," antwoordden ze, "en hij heeft ook water voor ons geput en de dieren te drinken gegeven." "En waar is hij nu?" vroeg hun vader. "Waarom hebben jullie die man daar achtergelaten? Nodig hem uit om te komen eten." Mozes liet zich overhalen om bij die man te blijven, en deze gaf hem zijn dochter Sippora tot vrouw. Zij bracht een zoon ter wereld, en Mozes noemde hem Gersom, "want," zei hij, "ik ben een vreemdeling geworden, ik woon in een land dat ik niet ken."

Prokimen in de vierde toon (Ps. 137)

Heer, Uw barmhartigheid is eeuwig,
versmaad niet het werk Uwer handen.

- Ik wil U belijden, Heer, uit heel mijn hart;
voor het aanschijn der Engelen zing ik een psalm voor U.

Lezing uit het boek Job (2:1-10)

Op een dag kwamen de hemelbewoners hun opwachting maken bij de HEER, en ook Satan maakte bij hem zijn opwachting. De HEER vroeg aan Satan: "Waar kom je vandaan?" Hij antwoordde: "Ik heb rondgezworven en rondgedoold op aarde." De HEER vroeg aan Satan: "Heb je ook op mijn dienaar Job gelet? Zoals hij is er niemand op aarde: hij is rechtschapen en onberispelijk, hij heeft ontzag voor God en mijdt het kwaad. Ja, hij is nog even onberispelijk als altijd, en jij hebt mij ertoe aangezet hem zonder reden te gronde te richten." Hierop zei Satan: "Zijn leven is hem alles waard. Daarvoor geeft hij zijn hele bezit. Maar als u uw hand naar hem uitstrekt en zijn lichaam aantast, zal hij u ongetwijfeld in uw gezicht vervloeken." Toen zei de HEER tegen Satan: "Goed, doe met hem wat je wilt, maar spaar zijn leven." Hierop vertrok Satan en overdekte Job van voetzool tot kruin met kwaadaardige zweren. Job pakte een potscherf om zich te krabben, terwijl hij in het stof en het vuil zat. Zijn vrouw zei tegen hem: "Waarom blijf je zo onberispelijk? Vervloek God toch en sterf." Maar Job zei tegen haar: "Je woorden zijn de woorden van een dwaas. Al het goede aanvaarden we van God, zouden we dan het kwade niet aanvaarden?" Ondanks alles zondigde Job niet en sprak hij geen onvertogen woord.



Index - Witte Donderdag - Terug naar beginpagina - Stuur ons mail


Orthodoxe Parochie van de H.H. Eersttronende Apostelen Petrus en Paulus   |   26 maart 2005 (H. Aartsengel Gabriël)
De bijbeltekst is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004.