Index - Goede Vrijdag - Terug naar beginpagina


Witte Donderdag

Vespers

Prokimen in de eerste toon (Ps. 139)

Ontruk mij, Heer, aan de slechte mens,
bevrijd mij van de ongerechte man.

- Die onrecht uitdenken in hun hart.

Lezing uit het boek der Uittocht (19:10-19)

De HEER zei tot Mozes: "Ga terug naar het volk en zorg ervoor dat ze zich vandaag en morgen heiligen, en laten ze hun kleren wassen. Bij het aanbreken van de derde dag moeten ze gereed zijn, want op die dag zal de HEER voor de ogen van heel het volk neerdalen op de Sinaï. Geef aan tot waar het volk mag komen, en waarschuw hen dat ze de berg niet op gaan; zelfs de voet daarvan mogen ze niet betreden. Wie zich op de berg waagt, moet ter dood gebracht worden. Zo iemand mag met geen vinger aangeraakt worden; hij moet worden gestenigd of met pijlen doorboord. Of het nu mensen of dieren betreft, ze mogen niet in leven blijven. Pas als het geluid van een ramshoorn weerklinkt, mogen ze de berg op gaan."

Weer ging Mozes naar beneden, naar het volk. Hij droeg hun op zich te heiligen en hun kleren te wassen. "Zorg ervoor dat u overmorgen gereed bent," zei hij, "en dat u in de tussentijd geen gemeenschap hebt met een vrouw."

Op de derde dag, bij het aanbreken van de morgen, begon het te donderen en te bliksemen, er hing een dreigende wolk boven de berg, en zeer luid weerklonk het geschal van een ramshoorn. Iedereen in het kamp beefde.

Mozes leidde het volk het kamp uit, God tegemoet. Aan de voet van de berg bleven ze staan. De Sinaï was volledig in rook gehuld, want de HEER was daarop neergedaald in vuur. De rook steeg op als de rook uit een smeltoven, en de berg trilde hevig. Het geschal van de ramshoorn werd luider en luider. Mozes sprak, en God antwoordde met geweldig stemgeluid.

Prokimen in de zevende toon (Ps. 58)

God, ontruk mij aan mijn vijanden,
bevrijd mij van hen die tegen mij opstaan.

- Bevrijd mij van hen die boosheid bedrijven.

Lezing uit het boek Job (38:1-21, 42:1-5)

En de HEER antwoordde Job vanuit een storm. Hij zei:

"Wie is het die mijn besluit bedekt
onder woorden vol onverstand?
Sta op, Job, wapen je;
ik zal je ondervragen, zeg mij wat je weet.
Waar was jij toen ik de aarde grondvestte?
Vertel het me, als je zoveel weet.
Wie stelde haar grenzen vast? Jij weet dat toch?
Wie strekte het meetlint over haar uit?
Waar zijn haar sokkels verankerd,
wie heeft haar hoeksteen gelegd,
terwijl de morgensterren samen jubelden
en Gods zonen het uitschreeuwden van vreugde?
En wie sloot de zee af met een deur,
toen ze uit de schoot van de aarde brak?
Ik hulde haar in een gewaad van wolken
en omwond haar met donkere nevels.
Ik legde haar mijn grenzen op
en sloot haar af met deur en grendelbalk,
en zei: "Tot hiertoe en niet verder,
dit is de grens die ik je trotse golven stel."
Heb jij ooit de morgen ontboden,
de dageraad zijn plaats gewezen,
om de uiteinden van de aarde te pakken
en de goddelozen van haar af te schudden?
Als klei waarin een zegel wordt gedrukt, zo krijgt de aarde vorm,
haar oppervlak wordt gedrapeerd als een kleed.
Alleen de goddelozen blijven verstoken van het licht,
hun opgeheven arm wordt gebroken.

Betrad jij ooit de plaats waar de zee opwelt,
heb jij over haar diepste bodem gewandeld?
Zijn de poorten van de dood aan jou getoond,
de deuren van het diepste donker – heb je die gezien?
Kun jij de aarde in haar volle uitgestrektheid bevatten?
Vertel het, als je het allemaal weet!
Waar is de weg naar de oorsprong van het licht,
en de plaats van het donker – is die jou bekend,
zodat je het naar zijn gebied kunt voeren
en het pad naar zijn huis kunt vinden?
Jij weet dat vast, want jij werd toen geboren,
zoveel jaren liggen achter je!"

Nu antwoordde Job de HEER:

"Ik weet dat niets buiten uw macht ligt
en geen enkel plan voor u onuitvoerbaar is.
Wie was ik dat ik, door mijn onverstand, uw besluit wilde toedekken?
Werkelijk, ik sprak zonder enig begrip,
over wonderen, te groot voor mij om te bevatten.
'Luister,' zei ik, 'dan zal ik spreken,
ik zal u ondervragen, zeg mij wat u weet.'
Eerder had ik slechts over u gehoord,
maar nu heb ik u met eigen ogen aanschouwd.
Daarom herroep ik mijn woorden en buig ik mij,
zoals ik hier zit in het stof en het vuil."

Lezing uit de profetieën van Jesaja (50:4-11)

God, de HEER, gaf mij een vaardige tong,
waarmee ik de moedeloze kan opbeuren.
Elke ochtend wekt hij mijn oor,
zodat het toegerust is om aandachtig te horen.
God, de HEER, heeft mijn oren geopend
en ik heb geen verzet geboden,
ik ben niet teruggedeinsd.
Ik heb mijn rug blootgesteld aan mijn folteraars,
wie mij de baard uittrokken, bood ik mijn wangen aan.
Ik heb mijn gezicht niet verborgen
toen ze mij beschimpten en bespuwden.
God, de HEER, zal mij helpen,
daarom word ik niet gekwetst
en is mijn gezicht zo onbewogen als een rots,
want ik weet dat ik niet beschaamd zal staan.
Hij die mij recht verschaft is nabij.
Wie durft tegen mij een geding aan te spannen?
Laten we samen voor het gerecht verschijnen.
Wie is mijn tegenstander in deze zaak?
Laat hij mij tegemoet treden.
God, de HEER, zal mij helpen –
wie zal mij dan veroordelen?
Mijn belagers vallen uiteen als een kledingstuk,
als een gewaad dat ten prooi is aan de motten.

Wie van jullie heeft ontzag voor de HEER?
Wie luistert naar de stem van zijn dienaar?
Hij die door de duisternis gaat
en geen licht meer ziet,
en die dan vertrouwt op de naam van de HEER
en vertrouwen stelt in zijn God.
Maar jullie allen ontsteken vuur
en wapenen je met brandpijlen.
Ga door de gloed van dat vuur,
brand je aan je eigen pijlen!
Ik ben het die jullie dit laat overkomen,
in vreselijke pijn zul je bezwijken.

H. Liturgie

Prokimen in de zevende toon (Ps. 2)

De vorsten zijn samengeschoold
tegen de Heer en tegen Zijn Christus.

- Waarom woeden de heidenen?
Waarom zinnen de volken op ijdelheid?

Lezing uit de eerste brief van de heilige Apostel Paulus aan de christenen te Korinthe (11:23-32)

Broeders, ik heb u overgeleverd wat ik van de Heer heb ontvangen: dat de Heer Jesus in de nacht dat hij verraden werd, brood nam, dankte, het brak en zeide: Dit is Mijn Lichaam dat voor u wordt overgeleverd. Doe dit tot Mijn gedachtenis.Evenzo nam Hij de Kelk na het Avondmaal, zeggend: Deze Kelk is het Nieuwe Verbond in Mijn Bloed. Doe dit, zo dikwijls gij die drinkt, tot Mijn gedachtenis. Want zo dikwijls gij dit Brood eet en deze Kelk drinkt, verkondigt gij de Dood des Heren totdat Hij komt. Wie dus onwaardig het Brood eet of de Kelk des Heren drinkt, bezondigt zich aan het Lichaam en Bloed des Heren.

Laat ieder zichzelf onderzoeken vóór het eten van het Brood en het drinken van de Kelk. Want wie eet en drinkt, en daarbij het Lichaam niet naar waarde schat, eet en drinkt zich een veroordeling.

Daarom zijn er onder u zoveel zwakken en zieken, en zijn er zovelen ontslapen. Want als we onszelf oordeelden, zouden we niet veroordeeld worden. Wanneer we door de Heer geoordeeld worden, dan straft Hij ons opdat we niet met de wereld zouden worden veroordeeld.

Alleluia in de zesde toon

Alleluia, alleluia, alleluia.

- Zalig hij die zorg draagt voor behoeftigen en armen.

- Mijn vijanden spreken kwaad over mij,
wanneer zal Hij sterven en zal Zijn Naam vergeten zijn?

- Die Mijn Brood met Mij at,
heeft zijn hiel tegen Mij opgeheven.



Index - Goede Vrijdag - Terug naar beginpagina - Stuur ons mail


Orthodoxe Parochie van de H.H. Eersttronende Apostelen Petrus en Paulus  |  26 maart 2005 (H. Aartsengel Gabriël)
De bijbeltekst van het Oude Testament is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004.
De episteltekst is ontleend aan 'Apostel', vertaald door Archimandriet Adriaan.