Index - 3e woensdag - 4e woensdag - Terug naar beginpagina


3e vrijdag

Lezing uit het boek der Schepping (8:4-21)

In de zevende maand, op de zeventiende dag der maand, bleef de ark vastzitten op het gebergte van Ararat. En de wateren namen tot de tiende maand gestadig af; in de tiende maand, op de eerste der maand, werden de toppen der bergen zichtbaar.

Na verloop van veertig dagen opende Noach het venster, dat hij in de ark gemaakt had, en hij liet een raaf uit, en deze vloog heen en weer, totdat de wateren van de aarde waren opgedroogd. Daarna liet hij een duif uit om te zien, of de wateren afgenomen waren van de aardbodem. Doch de duif vond geen rustplaats voor het hol van haar voet en keerde tot hem in de ark terug, omdat op de gehele aarde water was, en hij stak zijn hand uit, greep haar en bracht haar tot zich in de ark. Toen wachtte hij nog zeven dagen en hij liet de duif weer uit de ark; tegen de avond kwam de duif weer bij hem en zie, een vers olijfblad was in haar snavel. Hieraan bemerkte Noach, dat de wateren afgenomen waren van de aarde. Voorts wachtte hij nog zeven dagen en hij liet de duif uit, en zij keerde niet weer tot hem terug. In het zeshonderd en eerste jaar, in de eerste maand, op de eerste der maand, waren de wateren opgedroogd van de aarde; daarop verwijderde Noach het luik van de ark, en hij zag uit, en zie, de aardbodem droogde op. In de tweede maand, op de zevenentwintigste dag der maand, was de aarde droog.

En God sprak tot Noach: Ga uit de ark, gij en uw vrouw en uw zonen en de vrouwen uwer zonen met u; doe al het gedierte dat met u is, van al wat leeft: het gevogelte, het vee en al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, met u uitgaan, opdat zij wemelen op de aarde , en vruchtbaar zijn en talrijk worden op de aarde. Toen ging Noach uit, en zijn zonen en zijn vrouw en de vrouwen zijner zonen met hem. Al het wild gedierte, al het kruipend gedierte en al het gevogelte, alles wat zich op de aarde roert, naar hun geslachten, ging uit de ark. En Noach bouwde een altaar voor de HERE, en hij nam van al het reine vee en van al het reine gevogelte en bracht brandoffers op het altaar. Toen de HERE de liefelijke geur rook, zeide de HERE bij Zichzelf: Ik zal de aardbodem niet weer vervloeken om de mens, omdat het voortbrengsel van des mensen hart boos is van zijn jeugd aan, en Ik zal al wat leeft niet weer slaan, zoals Ik gedaan heb.

Lezing uit het boek der Spreuken (10:31-11:22)

De mond van de rechtvaardige brengt wijsheid voort,
maar de valse tong wordt verdelgd.
De lippen van de rechtvaardige weten wat welgevallig is,
maar de mond der goddelozen is enkel valsheid.
Een bedrieglijke weegschaal is de HERE een gruwel,
maar een zuivere weegsteen is Hem welgevallig.
Als overmoed komt, komt schande mee,
maar wijsheid is bij de ootmoedigen.
De rechtschapenheid der oprechten leidt hen, 
maar de verkeerde zin der trouwelozen is hun ten verderve.
Rijkdom baat niet ten dage des toorns, 
maar gerechtigheid redt van de dood.
De gerechtigheid van de rechtschapene effent zijn weg,
maar de goddeloze komt door zijn goddeloosheid ten val.
De gerechtigheid der oprechten zal hen redden,
maar de trouwelozen worden door hun begeerlijkheid gevangen.
Bij de dood van een goddeloos mens vergaat de verwachting,
en het verlangen der boosheid gaat teniet.
De rechtvaardige wordt uit benauwdheid gered,
en dan komt de goddeloze in zijn plaats.
Met de mond stort de godvergetene zijn naaste in het verderf,
maar door kennis worden de rechtvaardigen gered.
Over de voorspoed der rechtvaardigen verheugt zich de stad,
bij de ondergang der goddelozen is er gejuich.
In de zegen der oprechten ligt de opkomst der stad,
maar door de mond der goddelozen wordt zij afgebroken.
Wie zijn naaste veracht, is verstandeloos;
maar een verstandig man zwijgt stil.



Index - 3e woensdag - 4e woensdag - Terug naar beginpagina - Stuur ons mail


Orthodoxe Parochie van de H.H. Eersttronende Apostelen Petrus en Paulus   |   2 maart 2004 (H.Theodotos, bisschop van Kyrenia)